Archeologie 2005

Samen met A.W.N.

In verband met de aanleg van een dubbel straatriool (één voor vuil water en één voor schoon hemelwater) moesten delen van de Oostwal ontgraven worden. Een mooie gelegenheid om naar de preciese ligging van de oude grachten daar ter plekke te zoeken. Ronald Grimberg doet verslag van dit onderzoek in een vierdelig rapport met veel foto’s.

Een belangrijke bron voor het grachten- en wallenpatroon is de kaart van Jacob van Deventer (16e eeuw). Deze kaart is nauwkeurig en zijn kaarten staan bekend als zeer betrouwbaar. De afmetingen van de kaart van Ootmarsum passen zeer goed op de huidige plattegrond (d.w.z. dat de gehanteerde afmetingen kloppen).
In de hiernaast afgebeelde kopie is de as van het Oldenzaalsvoetpad ingetekend met een dunne zwarte lijn. Deze straat bestond destijds nog niet.

Onder het Oldenzaalsvoetpad, tussen de kruisingen met de Smithuisstraat en de Oostwal, is nu een (dubbele) riolering aangelegd. Eén voor vuil water en één voor schoon hemelwater. Voorheen was er nog geen riolering aanwezig in dit deel van de straat. Dat betekent dat in de grond nog niet eerder was gegraven, behalve voor het leggen van een enkele water- en electriciteitsleiding.

De graafwerkzaamheden waren voortschrijdend. Men begon op de kruising met de Smithuisstraat. Er werd telkens een betonnen buis van 2 meter lengte geplaatst, dan werd het gat weer grotendeels gedicht, er werd op dezelfde wijze nog een buis van 2 meter gelegd. Vervolgens werd daarnaast op een iets hoger niveau een 4 meter lange plastic buis voor schoon water gelegd. Vooral voor het aanleggen van de betonnen buizen werd tot in de groene leemlaag gegraven. Kenmerkend was dat het bovenlaagje daarvan vol zat met stenen (zwerfkeien; morene afzetting). Tijdens het graven werd in de wanden van de uitgegraven sleuf het profiel van diverse grondlagen goed zichtbaar. Soms was het mogelijk om de wanden beter af te steken, waardoor het profiel duidelijker zichtbaar werd. Deze profielen zijn vastgelegd d.m.v. foto’s, tekeningen en metingen.

Er is in het traject 2 keer een put geplaatst voor vuil water en 2 keer voor schoon water. De meest zuidelijke put gaf een beeld te zien dat de groene leemlaag van west naar oost (als je met het gezicht richting kerk kijkt: van links naar rechts) plotseling een sterke daling vertoonde. Onduidelijk is nog of dit een natuurlijk verloop dan wel een afgraving betreft.

Een tweede put werd geplaatst op de plaats die door Jacob van Deventer als de buitenkant van de vesting werd aangegeven (buitenrand buitenste gracht). Helaas is van het traject tussen de 2 putten geen (duidelijk) grondprofiel vastgelegd. Op de plek van de 2e put werd een houten paal gevonden in de onderste grondlaag (leem). De paal was geheel vermolmd. Er zijn resten uitgegraven die bewaard zijn. Van de rest van de paal waren geen sporen in de bovenliggende lagen te herkennen.

Deze paal heeft mogelijk een functie gehad bij de afgrenzing van de buitengracht, om aan deze kant het water tegen te kunnen houden. Opmerkelijk is dat er in de diepere grondlagen geregeld (wilgen)twijgen werden aangetroffen. Dit kunnen takken zijn die toevallig hier beland zijn, maar mogelijk zijn ze gebruikt voor de beschoeiing van de gracht.

Vervolgens is, nadat deze put geplaatst was, zeer intensief gekeken naar de diverse grondlagen. Opmerkelijk was dat aan de westkant dit aanzienlijk beter lukte dan aan de oostkant. Toch was op diverse plaatsen zichtbaar dat de oostkant en de westkant van de sleuf (circa 4 meter breed) een vergelijkbaar grondpatroon vertoonden. Duidelijk was dat in dit gebied veel welwater naar boven komt. Dit heeft tot gevolg dat de grond niet rustig op zijn plaats blijft als er een sleuf is uitgegraven. De grond drukt in zuidoostelijke richting. Het kwam dan ook regelmatig voor dat uit voorzorg een hoop zand onder in de kuil werd gegooid om te voorkomen dat de grond (verder) zou instorten. De wegzakkende grond heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat de hoofdwaterleiding een keer verzakt is en daardoor geknakt.

De onderste groene leemlaag (morene afzetting) was geheel ongestoord. Over het hele traject is te zien dat de bovenkant van deze laag langzaam omhoog loopt, richting de stad. De helling is vergelijkbaar met de helling van het Oldenzaalsvoetpad ter plaatse.
Boven de leemlaag bevindt zich een ongestoorde laag wit dekzand. Op de foto is te zien dat binnen deze laag gele strepen voorkomen.

Waarschijnlijk houdt dit verband met de aanwezigheid van welwater, waardoor verkleuring optreedt. De witte laag had over de lengte van circa 9,5 meter een dikte van tussen de 10 en 15 cm. Boven de laag wit dekzand bevindt zich een intens zwarte veenachtige laag van circa 5 cm hoogte. Van deze laag hebben we een stuk bewaard. Boven deze laag was over de eerder genoemde lengte van 9,5 meter sprake van geroerde/opgebrachte grond. De aanwezigheid van een veenachtige laag is een aanwijzing dat hier water heeft gestaan. Plantenresten en ander organisch materiaal is naar de bodem gezakt en verveend. De geroerde grond daarboven is een aanwijzing dat de grond later is verhoogd (of dat de waterpartij is gedempt).

Richting de kruising Oostwal-Oldenzaalsvoetpad, ter hoogte van de hoek van de woning Oldenzaalsvoetpad 2 (muur aan de kant van de Oostwal) was duidelijk zichtbaar hoe in de laag wit dekzand een onnatuurlijke vervorming optreedt. (foto links) De plaats sluit aan op de plaats waar volgens de kaart van Jacob van Deventer de grens tussen de wal en de buitenste gracht ligt. Op de foto is te zien hoe de witgele laag van link naar recht plotseling in plaats van circa 10 cm circa 30 cm hoog wordt. In het vervolg blijft de witgele laag deze hoogte houden. Er is vervolgens ook waar te nemen dat er boven deze gele laag een homogene ongeroerde bruine laag ligt en daarboven nog een grijze ongeroerde laag. Daarboven ligt vervolgens een laag geroerde grond.

Afgaand op de diepte zal de buitengracht geen diep water geweest zijn. Wellicht was het een moerasachtig gebied. Dat is goed mogelijk, omdat het beekdal dat vóór Engels’ tuin ligt, van oorsprong doorliep richting Grotestraat en vandaar met een bocht in noordelijke richting feitelijk de natuurlijke zuidgrens van de vesting Ootmarsum vormde.

Als de gevonden paal als buitengrens van de gracht wordt genomen en de onnatuurlijke vervorming in de grondlagen wordt gezien als de overgang van wal naar buitengracht, dan is daaruit af te leiden dat de buitengracht hier een breedte had van 9,5 meter.

Vervolgens is, vanaf de buitenkant gezien, de wal doorgelopen tot de buitenkant van de binnengracht. Tijdens het uitgraven van een enorme put op de kruising Oostwal/Oldenzaalsvoetpad ontstond een mooi beeld van rand van de binnengracht. De oude riolering, die omstreeks 1937 is gelegd, is kennelijk gelegd op de rand van de binnengracht. Of dit overal is gebeurd of alleen op deze plek is nog niet duidelijk. De exacte locatie van de grens van de buitengracht is echter verstoord door het leggen van het riool in 1937. Mogelijk komt er elders nog een plek waar de overgang beter te zien is.

Ter hoogte van het bestaande riool in de Oostwal kon geconstateerd worden dat er een dikke zwarte verveende laag richting binnenstad liep (schuin naar beneden). Dit is een aanwijzing dat hier de buitengrens van de binnengracht was. In de grond waren ook her en der (wilgen)twijgen te vinden. Verder diverse scherven en houtresten.
De begrenzing van de binnengracht sluit aan op de gegevens uit de boringen die eerder zijn gedaan aan de Oostwal.

In 2002 zijn boringen verricht op het grasveld aan de Oostwal ter hoogte van het Educatorium en Drostenhuis. Uit deze boringen kwam een profiel naar voren van de binnengracht. Daarbij werd duidelijk dat daar de gracht tot onder de straat is doorgelopen.

Er is nu niet gegraven voorbij de kruising richting Ganzenmarkt, zodat op deze locatie aan het Oldenzaalsvoetpad geen beeld bestaat van een doorsnede van de gehele vesting.
Verder is opmerkelijk dat er geen sporen van beschoeiing zijn aangetroffen op de grens tussen wal en binnengracht, respectievelijk buitengracht.

Op basis van de waarnemingen is voorlopig het volgende beeld ontstaan, waarbij aangetekend wordt dat de de grondlagen slechts zijn vastgesteld ten opzichte van het straatniveau. De hoogteverschillen zijn opgenomen op basis van een voorlopige hoogteschatting. Omdat er sprake is van een sterke helling, moet e.e.a. nog in het perspectief van de juiste hoogteverschillen geplaatst worden.

Het volgende plaatje is daarop gemaakt:

Ronald Grimberg.

Archeologie 2005