De naam zegt genoeg

Huis- en bijnamen in Ootmarsum & Omstreken

Vijftig jaar later kwam ik haar weer tegen, nog geen tachtig meter van haar oude woning. Zij was van augustus 1888, vertelde ze me later. Op die dag de honderd jaar al royaal gepasseerd. Maar veranderd was ze nauwelijks. En nu liep ze opvallend kwiek maar wat doelloos rond in de gangen van het bejaardenhuis en door de vestibule, waar de jeugd met rollators rondschuifelde of in de fauteuils lag te soezen en te knikkebollen. Een mager, grijs vrouwtje in lange zwarte kleren en met een wat ondeugende blik, net als vijftig, zestig jaar geleden. wanneer ze elke morgen, zodra ze de bel had gehoord, naar de straat liep met haar steelpannetje. Want dan kwam Jantje Meinders voorbij met zijn melkwagen, zijn dochter en zijn mager paard.

Ik wilde haar aanspreken maar besefte opeens dat ik haar ware naam niet eens wist, en ook nooit had geweten. Zij bleek te zijn geboren te Tilligte als Maria Geertruida Rerink (Göttert), na haar huwelijk heette ze officieel mevrouw M.G. Wilmes, maar bij dag en tijd, en voor de rest van haar lange leven heette ze in heel Ootmarsum gewoon: Klingen Truiken, onze buurvrouw. Zij was niet de enige van wie ik de echte naam niet kende. Ik wist ook niet hoe ’t oale Blokhof “veur ’n staand hettn”, of Oale Schoeltenboer, Eppink Hennik, de Balboer en nog zovele anderen.

Lang geleden, toen de tijd nog stilstond in Ootmarsum en het leven zich in kalme stilte voltrok, moet het kleine stadje met haar bewoners min of meer één grote familie zijn geweest, waarin allen elkaar kenden en alles van de ander wisten. Men keek zogezegd bij elkaar in de pan, zodat er in deze tamelijk besloten gemeenschap weinig geheim bleef. En ongetwijfeld zal dat vaak als een last zal zijn ervaren. “Sociale druk” heet dat nu: “Loat’ de leu ’t toch nich heuren. Doar krieg ie ja proat van in de stad. Wat möt menear pestoar / ’n dominee / ’n burgemeester / ‘n dokter der wa nich van deankn.”

Maar als de nood aan de man kwam, garandeerde die wederzijdse “kunnigheid” ook aandacht en meeleven en wederzijdse hulp en zorg; het warme nest van een hechte gemeenschap. Hier was het volslagen ondenkbaar dat je een stadgenoot tegenkwam en hem volledig zou negeren, of zelfs maar naliet hem te groeten. Trouwens iemand op straat ‘straal’ voorbijlopen doe je ook nu nog niet ongestraft, tenminste niet in zulke overzichtelijke gemeenschappen als Ootmarsum. Menige vakantiegast constateert deze mooie gewoonte dan ook met verwondering en is aangenaam verrast: onbekenden die je zomaar vriendelijk groeten! Wat een bijzonder aardige mensen zijn dat toch, daar in Ootmarsum. – Ja, ja.

In zo’n vertrouwde sfeer pasten bijnamen, huisnamen en andere aanduidingen. Want hoewel de naamgeving of het naamgebruik in bijvoorbeeld de 18e eeuw niet zoveel anders was dan nu, ontbrak toch die onwrikbare, ambtelijke registratie van vandaag. Daardoor was er ruimte om iemand te noemen of aan te spreken met de naam die hij van zijn medeburgers had gekregen. En dat was meestal een naam die bij hem paste, om wat voor reden dan ook. In het kasboek van de 18e eeuwse commies Georg Willem Amelung1 worden zonder meer bijnamen gebruikt voor Ootmarsummers die bijvoorbeeld voor hem hadden gewerkt en dus betaald moesten worden: Kaanten Jan (of -Fritz of -Trui). Ze heetten Berghuis. Of de Prior (Prijer), die ten Voorde heette. Hutten Mans en zijn 3 broers, houthakkers uit Nutter die zich als Steggink lieten schrijven. Maar al die benamingen vormden samen in ieder geval een bonte compositie of mozaïek, waarin de sfeer, en misschien zelfs het karakter en de mentaliteit van stad en omgeving enigszins werden weerspiegeld.

Aan die genoeglijke beslotenheid van kleine stadjes, dorpen en gehuchten is (zoals we al duizend keer hebben gehoord) goeddeels een einde gekomen. Massamedia, snellere verbindingen, globalisatie en andere lelijke dingen zouden daar de oorzaak van zijn. Het zal wel, maar het is hier verder niet van belang. Wel belangrijk echter zijn de gevolgen. Bijvoorbeeld het langzaam verdwijnen van al die schilderachtige namen. Je komt ze steeds minder tegen. En het is de vraag of er überhaupt nog nieuwe bijnamen worden gegeven. Ja, in kleine kring, bij makkers onder elkaar of als geintje misschien. Meestal blijft het beperkt tot die kleine kring en is het bovendien van korte duur. Maar verder? Onder nieuwe inwoners bijvoorbeeld? In ieder geval kunnen we veilig aannemen dat de Ootmarsumse bijnamencultuur over dertig, veertig jaar alleen nog voortleeft in de herinnering van enkele hoogbejaarde stadgenoten. En nog eens dertig jaar later zal alles voorbij zijn. Een prachtig ‘stukje’ cultuur is voorgoed vergeten. We wilden daarom nog één keer de hakken in het zand zetten en proberen toch nog wat vast te leggen van dit eeuwenoud verschijnsel dat in ieder geval de verdienste had, dat het zo aardig was.

Omdat het gebied van de voormalige gemeente Ootmarsum voor onze bezigheid toch wat beperkt is en ook wat eenzijdig samengesteld, hebben we wat meer ruimte genomen en gezocht naar bijnamen binnen -ruwweg- de grenzen van de Nederlands hervormde gemeente en van de Simon en Judasparochie, hetgeen ook een wat logischer begrenzing is. En laten we er verder aan toevoegen dat we scheldnamen, diskwalificaties en andere vervelende aanduidingen achterwege hebben gelaten.

Natuurlijk heeft niet iedereen een bijnaam. Menigeen geeft daar gewoon geen aanleiding toe of de noodzaak ontbreekt. Het lijkt vaak ook een kwestie van pure toeval als iemand er wel een heeft. Dat bijnamen bijna uitsluitend voorkomen onder autochtone Ootmarsummers, onder de inboorlingen dus, en nauwelijks onder nieuwkomers ligt een beetje voor de hand. Tenzij zo’n immigrant zich opvallend manifesteert of markant aanwezig is natuurlijk (Porseleinen Harrie). Want een bijnaam wordt niet zomaar gegeven. Dat zou een zinloze geste zijn. Nee, hij dient op een of andere manier nadere informatie te verstrekken over degene die deze naam krijgt toebedeeld. Het moet “ergens op slaan”. In de beste gevallen zijn het dan ook rake typeringen zoals Kniep Jenske, Pruum Hearm, Pap Gait, Pijpje Drop of Slikker Jenske. De laatste had een winkeltje met snoep. En natuurlijk: Schoester Jaansen (eigenlijk Janse) de laatste schoenlapper van Ootmarsum. Hij verkocht geen schoenen.

Louis JohanninkAndere namen dringen zich aangenaam op, suggestief maar zonder aanvullende betekenis, mogelijk alleen door hun prettige klank: Loop Jaans Gerrad en Loei, (Louis Johannink, “Lak-, bies- en rijwielreparatie-inrichting”. Het staat nog steeds op de gevel van zijn voormalige werkplaats). En verder Toon’n-Antje, Oom Bee (Buijvoets), of ’t Ruutke.

Sommige bijnamen klinken echter ronduit vervelend en onvriendelijk, hoewel daar misschien geen enkele aanleiding toe was. Mogelijk zijn ze ontstaan uit humeurigheid of uit persoonlijke weerzin of rancune, misschien zijn ze uitgedacht in een melige bui en vervolgens blijven hangen: de Köppe (‘Allo köppe, in hoes kommen, stoet vretten. Ik zal de boanen der wa achter houwen.), en ‘De Kre’j’ moet door schooljongens zijn bedacht.

Ooit, begin jaren vijftig of wat vroeger, was ik behoorlijk onder de indruk van de raadselachtige naam ‘de Genie’, vreemd genoeg niet het genie. Zo noemden we de muzikant Frans Rolink. Als op zo’n mooie zomeravond de wandelatleten van de Tubanters (m.) of de Zandlopers (vr.) – ‘tippelaars’ noemden we hen onbekommerd – feestelijk werden ingehaald, omdat die bij de KTT-wedstrijden te Albergen, Bentelo dan wel in Hengevelde weer eens de eerste prijs hadden behaald, dan marcheerde hij vóór de witte troepen uit, de stad binnen: de Genie! Langs de straten rijen applaudisserende toeschouwers. En terwijl de donkere, kleine man met martiale doch soepele tred het zegevierend legioen aanvoerde, speelde hij, zijn trompet op de maat heen-en-weer deinend, feilloos, fier en van verre hoorbaar de Triomfmars uit Aïda.

Eén van de mooiste benamingen vind ik trouwens die van Hanna Keupink: Wassche Hanna genoemd.2 Is het omdat ze zo’n aardig mens was? Een fragment uit een anoniem gedicht zegt over haar:

… zee hef met hear bliej keenderhat
nooit wetten wat ze dreug.
Ze hef op ‘n langen Springendalspad
godwet alleen de vöggel heurd,
dee psalmen zongen veur ‘n Hear,
zoas Hanna zölf aait zong hear vessche
met dweal en bessem- op de knee,
in deenst van school en dominee -,
of in hear stille hoes an’t Pläske
heel zachtkes zong de vromme wiezen.
– Mie ducht, de Hear zal Hanna priezen.

 

Manna HeupinkSoms wordt iemand aangeduid met uitsluitend zijn of haar voornaam. We zagen het hiervoor al even. As’t sich knip en as’t sich wear knip is dat natuurlijk geen bijnaam, maar toch. Bij de volgende namen zou eertijds geen Siepel vragen over wie je het had: Matje (Kosters), Naats (Oude Weernink), Manna (Heupink) (zie foto hier naast), Otje (Oude Luttikhuis), Jenske (Wilms), Broer (Heupink, Van Zuilekom), en Heinie (Wilbers). En we mogen Pim (Willem Silderhuis) en nogmaals Loei hier ook bij rekenen. En ook Oom Bee (waarschijnlijk Bernard) Buijvoets. Deze brommerige vrijgezel woonde in bij het gezin van zijn overleden broer aan het Schoolplein, nu de Oostwal. Hij was waarschijnlijk blikslager van beroep, hij kon tenminste lekke ketels en pannen solderen en een reep blik over je klomp slaan wanneer die gebarsten of gebroken was. En verder bracht hij zwijgend zijn dagelijks bezoek aan het naastgelegen café van Bernard Ossenvoort. En dan was daar ook nog “Daantje”. Zo noemden ze een zekere Ligtvoet, een onduidelijke man die in de oorlogsjaren voor de Duitsers wat werk moest opknappen en die met zijn armoedige gezin een woning in de Kapelstraat had, naast de bakkerij van Koopmans.

Nooit van gehoord? Maar Max (Groeneveld) uit Agelo kent u toch wel. Of niet? Reken er in ieder geval maar op dat hij u wél kent!

Enkele keren wordt iemand nader aangeduid met een naam die verband houdt met het pand of de woning van genoemde: Reinders-het-Schild of Vlaamsche Kunst, Tenniglo-de-Koffiekan, Beukers-de-la-Poste. In beide laatste gevallen betreft het de naam van een hotel of logement. Veel duidelijker zijn in dit geval de namen Teunke-van-de-Möl en Jan-van’t-Los Hoes.

Familie Weustink: Roetn Steffen

Een praktische reden voor een bijnaam kan zijn, dat er onderscheid moest worden gemaakt tussen mensen of families met dezelfde achternaam. En daar zijn er nogal wat van in Ootmarsum. Wat zouden wij aan moeten met al die Weustinks als ze niet nader werden geïdentificeerd door bijnamen: Döärske of Doars: Doars-Jan of was het Doars-Gerrad, de bijna dove metselaar met die mooie horlogeketting, en Doars-Merie, zijn vrouw. Samen hadden ze een sfeervol cafeetje achter de kerk. Klöäske (transport aan de Ganzemarkt), Kolln-Jan, Loop-Jan en Loop Jans Gerrad, de Smorr’, huis-schilder uit de Molenstraat met statig postuur en degelijke sigaar. En Roetn Steffen, horeca & transport.

Maar ook Filos, de filosoof, oudste van al die jongs van Klöäske. Willem Tjoep, pleegzoon van Eppink Hennik. En tenslotte, vooruit, ook Tante Leida. Allemaal Weustinks.

Hoe groot is niet de Van Benthem-clan: Tol Hennik, en Tol-Haans, ‘n Kaanten Snieder, Trui en Bennad van Löö-löö. Bennad klein van stuk maar met zware stem en grote pijp, Trui lang, mager, gebogen en met zorgelijke blik. Ooggetuigen houden staande dat de twee zich tot op hoge leeftijd hartstochtelijk hebben bemind. – ’n Engel, Toonen Gerrad, Toonen Antje en zelfs Jantje van Toonen Antje! (Zo’n mooie stapelnaam hoor je niet vaak. ) Maar laten we toch vooral de Dames van Benthem niet vergeten, met hun keurig winkeltje in de Schiltstraat met rook- en pruimartikelen en Rizla-vloei.

Dan de Heupinks. Slikker Jenske moet een snoepwinkel hebben gehad daar waar later hotel Vos stond. Aan de Almelosestraat woonde ook Manna Heupink. Het eenvoudige huisje waar zij had gewoond kreeg later de naam “Huize Manna”. Volgens geruchten omdat de nieuwe eigenaar zijn overbuurman een beetje wilde jennen, want die had zijn statige nieuwe woning naar zijn echtgenote genoemd: Huize Maria.

Jan ter BekkeOok Jan ter Bekke aan de Ganzenmarkt (zie foto hiernaast), een van de drie Ootmarsumse couturiers van die dagen heette Heupink. En dan waren daar: Gerrad, Antoon en Jantje Heupink. Alle drie met hetzelfde beroep: schilders met een eigen bedrijfje! Gelukkig had de tweede een drogisterij, waar je naast allerlei heilzame preparaten vooral drop kon kopen: Drup! Een rake, goed klinkende, populaire en vooral hardnekkige benaming, zozeer zelfs dat ze zich als bijnaam heeft vererfd op zijn nageslacht! Zijn twee broers hebben zich trouwens ook zonder bijnaam uitstekend gered. En tenslotte was er Hein Heupink, de tabaksfabrikant, die vanwege zijn massieve gestalte ook wel Dikken Hein werd genoemd.

Bij de Brugginks werd, volgens zegslieden, onderscheid gemaakt tussen, Koard’s Jenske aan de Tubbigerdiek, de Scheaper, de Klöätkes uit de Molenstraat en Bekman, die Bruggink heette. Over de bijnaam van laatstgenoemde moet pastoor Scheepers in een wraakzuchtig humeur ooit vanaf de kansel (vanwaar ons, beminde gelovigen, gewoonlijk toch alleen Gods Woord deelachtig werd ) een verhelderend en vooral hilarisch referaat hebben gehouden. De aanleiding tot de preek was overigens zeer aards: de bankenpacht, een centenkwestie dus.

Nog niet zo lang geleden kwam de naam Steggink, dacht ik, niet binnen de wallen van Ootmarsum voor. In de omgeving echter des te meer: de Kes, de Hut, Oal’ Schoeltenboer, Telgenkaamp, de Bölter en waarschijnlijk nog wel meer.

De Geerdinks omvatten allereerst de uitgebreide Hams-familie: Hams Gait, Hams Jan, Hams Dieka en zo verder. Maar ook het echtpaar Katten Bats en Katten Hanna aan de Kloosterstraat heette Geerdink. Deze brave, vrien-delijke mensen leefden in ouderwets primitieve en armoedige omstandigheden, maar waren niettemin gelukkig, naar het scheen. Een laatste staartje 19e eeuw. Van Hanna kregen wij als kinderen wel eens een pepermuntje als beloning voor een boodschap of zoiets. Ze bewaarde deze versnapering in een zak in één van haar groezelige rokken, waarvan ze er een aantal over elkaar droeg als schillen om een ui: hoe verder naar binnen, des te lichter van kleur. Een zakkenroller maakte bij Hanna dus geen enkele kans. Maar wij als kinderen hadden intussen zo onze bedenkingen bij Hanna’s hygiënische conditie en zij vermoedde dat blijkbaar al. “Ie möt ze in ’n moond stekken en nich bie Sientje Kottink oawer de hegg’ hen smieten.”. En dan tenslotte moet er “voor de oorlog” nog een Spiers Bats zijn geweest. Zijn vrouw noemde men Spiers San.

Kötters had een cafeetje in de Molenstraat. Dat het ooit zou uitgroeien tot een markant hotel, wisten we toen nog niet, evenmin als dat de familie “veur ’n staand” Geerdink heette. ‘Geerdink’ (en later Van Benthem) heetten ook ooit de bewoners van het eeuwenoude huis, onder een grote linde en in de schaduw van het klooster. Wij spraken van ’t Ambacht. De drie broers Bernard, Hendrik en Teunke van een andere Geerdinksfamilie hadden geen speciale naam. En hoewel ook zij, net als de gebroeders Heupink, alle drie hetzelfde beroep hadden, ze werkten in de bouw, waren hun voornamen blijkbaar voldoende om hen uit elkaar te houden. Een ver familielid dat lang voor hen aan het Kerkplein woonde en eveneens Geerdink heette, werd Ziethof genoemd.

Veelders of Velers (in de uitspraak maakt het immers geen verschil): o.a. Lojjes, Rools, Jan
Nog een kleine, onvolledige opsomming.
Peters: o.a. Wagentoon, de Wunner of Wönner, Koard, Bal Jantje.

Van Borggreve kregen we o.a de bijnamen Bottergait, Reakers Gait en Loeks Gait.
Lansink: Westenoagel, Weenkelhoes, Sniedersboer, Smids Jeunken.
Kamphuis: Schot Jan, Vasser Smidje, de Hegboer, Kaamp Bearnd en Kaamp Bats. Kamphuis-transport moest het zonder bijnaam doen.

Van de Tenniglo’s kennen we de historische bijnamen ’n Hanen en de Koffiekan.
De rij van onderscheidende bijnamen is uiteraard nog aanzienlijk langer. Laten we het dus maar kort houden.

Smid Bernard JansenEen van de oudste typen bijnaam noemt een beroep of bezigheid. Dat begint al bij namen als de Kuper, de Smid, de Bakker en natuurlijk ook de vele bijnamen die op ‘boer’ eindigen. Speciaal in Ootmarsum hebben we de Scheaper (schaapherder). de Bommelbakker, Kaanten Snieder (van Benthem, die zijn atelier had in het pand dat nu ’t Zölderke heet), Waagn Toon, Lienen Snieder, Törf Wilbers en Kolln Jan, Bakker Van Beanthem, Bakker Schulten, Heisterkamp ’n Brouwer, Smid Jaansn (zie foto hiernaast), Schoester Jaansn, ’n Schriewert3, Schilder Jan (Frowijn) en misschien ook Snieder Mans en Hös Herman uit Nutter, die klompen maakte (“hosken” zegt Dijkhuis). En natuurlijk ook Timmer Gait. De laatste had, naar men zei, bij een ernstig ongeluk zijn hoofd zwaar beschadigd. En dit zou de oorzaak zijn voor zijn merkwaardige verschijning en dito gedrag. Wanneer hij in de stad kwam, reed hij op een damesfiets met soms een damestasje aan het stuur. Hij had bovendien een hoge stem. Het was de tijd dat typen als hij er nog gewoon bij hoorden, vertrouwde gestalten in het dorp, met wie niet de spot werd gedreven, al zagen we wel de humor in hun gedrag. Toen de vooruitgang ook hier zijn werk deed, werden deze mensen hygiënisch, deskundig en grondig, maar verder goedbedoeld uit het straatbeeld verwijderd en in een adequate omgeving voor behandeling samengebracht. Soit. – Tegenover de Hezeberg aan de ‘grote weg’ had Gerriet Wigbold zijn timmerwerkplaats, later stonden er dennen.

We kennen verder de Pil (dokter Wortelboer), Peare-Hein, Botter Jantje en de Voeger of ’t Voegertje. Bij de laatste wordt in zijn bijnaam niet alleen zijn beroep maar ook zijn postuur tot uiting gebracht. En tenslotte hebt u mogelijk ook wel eens gehoord van Bear-Me’js, een mevrouw uit Agelo die ooit met succes een varkensbeer exploiteerde.

Uit dezelfde bron waaruit ook de scheldnamen voortkomen hebben we een reeks namen die alles te maken hebben met karakter, eigenschappen of eigenaardigheden van de bezitter ervan (en nou wordt het oppassen voor lange tenen!): de Horr’ of Hörreke, hetgeen volgens de familie te maken heeft met ‘iets achter de hand hebben’ of ‘een appeltje voor de dorst’ en ook met zuinigheid natuurlijk: Wilbers, ‘de Petroliehorr’. En dan was daar G. Veldboer, een grote, invalide man die door de stad reed in een rolstoel-met-motor, die, zoals alle motoren in die tijd, luidruchtig knetterde. Men sprak van Groten Veldboer of ook wel volgens sommigen van Köärkes Veldboer. Verder kende men in Ootmarsum bijvoorbeeld Jan-met-de-Lat (veldwachter Jan Rorink), Piepen Dop (Smellink sr. op de Nieuwstad), Slikker-Jenske, Langen Jan, die op de Kuiperberg achter hotel Sleiderink (later IJland) woonde. Dat sommige Keupinks en Strooten ‘Swattn’ voor hun naam kregen, was niet enkel om hen van naamgenoten te onderscheiden, het had ook alles van doen met hun donker haar: ’t Swatte Keupink, ’n Swatte en ‘n Roade Stroot. (’t of ’n maakt hier niets uit. Je kunt ze zonder problemen verwisselen.) Tot dit type benamingen zijn ook te rekenen: de Oale Burr’, Groten Spölman, ’t Ne’je Lölf. En de man die in zijn jeugd op Oudejaarsavond een ongelukje was overkomen en nu met een lidteken op zijn voorhoofd rondliep, werd van toen af door zijn schoolkame-raden ‘de carbidbus’ genoemd. Aldus het verhaal.

Eens hoorde ik hoe men iemand die zeer slecht ter been was en met krukken liep, met ‘Benesj’ aanduidde, naar de tragische Tsjechische politicus Edvard Beneš die in ’39 zo diep voor Hitler door het stof moest.

Karakter of eigenschappen. Ooit leefden in Ootmarsum ook: Katten Hanna (en –Bats), Sputter Dieka, Kletter Da, Blomen’s Brul, Pruum hearm, Pear’Hein en Fiedel Bats. En ’n Broenen natuurlijk, mevrouw Steinmeijer, de wijkverpleegster met wapperende bruine sluier wanneer ze reed op haar knetterend DKW’tje. Wie heeft haar nog gekend?

Dan kent Ootmarsum nog de merkwaardige maar prachtige stapelnamen: (Johan van) Loop-Jans-Gerrad, Jantje-van-Tonen-Antje, en Jan-van-Pearde-Hein en Naats-zienen-Sann’. Zelf hoorde ik ooit: Naats-zienen-San-ziene-bakkersjong, eerlijk waar!

Wijd en zijd bekend zijn de initialen H van H uit Groot Agelo, en natuurlijk ook van H & R.

Een markant soort bijnaam is de erfnaam. waaronder we dan voor het gemak ook maar de namen van eertijdse families rekenen. Een familie, soms alleen een persoon, wordt niet met eigen naam genoemd, maar met de naam die verbonden is met de plaats waar hij woont, of met een vroe-gere familie die ooit op die plaats heeft gewoond. Als het hierbij om een boerderij gaat (en dat doet het meestal) is dat ook niet zo onlogisch: de naam van zo’n eeuwenoud, markant boerenbedrijf met zijn gebouwen, dat, omringd door machtige bomen, als een burcht in het landschap ligt met akkers en weiden met vee, – de naam van zo’n monument is toch van een heel andere orde dan die van zo’n toevallige, tijdelijke bewoner.

1946: Leden ABTB, voorste rij pater Redemptorist, H. Schröder ‘Breuker’ Groot Agelo, J. Broekhuis ‘Gervelman” Gr. Agelo, J. Kroeze ‘Tiethofsjan’ Gr. Agelo, pater onbekend, G. Lohuis ‘Loman’ Gr. Agelo en pater onbekend
tweede rij: A. Heesink ‘Heesinkbets’ Nutter, A. Peters ‘Wagentoon’ Oud Ootmarsum, H. Wiegink ‘Wieginkhendrik’ KL. Agelo, G. Peters ‘Wönners- Gerrad’ Ootmarsum, G. Kamphuis Kl. Agelo, Weustink ‘Loopjans-Gerrad’ Oud Ootmarsum en F. Steggink ‘Bultersfrans’ Nutter
bovenste rij: J. Niemeijer ‘Niemeijersjan” Nutter, G. Schuurman ‘Akkerboer’ Nutter, G. ten Oever Nutter, H. Heerdink ‘Veelershein’ Nutter, F. Veelders ‘Sleiderinkfrits’ Gr. Agelo, B. Kamphuis ‘Kampbeernd’ Oud Ootmarsum, A. Groenveld ‘Greuneveldstoon’ Oud Ootmarsum, H. Hesselink ‘Kukshein’ Oud Ootmarsum en G. Eppink ‘Balboer’ Oud Ootmarsum

In veel erfnamen is dus de naam van een vroegere eigenaar bewaard ge-bleven. Soms zelfs samen met de naam van de actuele bewoner: Pikkemoat-Brookhoes, Brookhoes op Gearvelman en misschien ook Luuks-Meier. Of alleen nog enigszins herkenbaar, want in veel gevallen lijkt het alsof bekende uitgangen als –ink, of -huis zijn vervangen door –man. Zo werden de bewonersnamen Mensink, Holsink enz. tot de erfnamen Meansman, Hôlsman, Gearvelman, Epman, Kokkelman, Toen’nman, Sleiderman, Wearnman, Egberman, Köäpman, Brung’nman enzovoort.

En verder kennen we als erfnamen natuurlijk de vele benamingen op –boer, vaak vooraf gegaan door de : de Balboer, de Hoogboer, de Kleiboer, (de) Höwwerboer, de Poolboer, de Roesboer, de Rietboer, de Venboer en in het kasboek van Georg Amelung ook de Vinkenboer. En verder Timmesboer, Stobbenboer, Sniedersboer, Ewwersboer, Batsboer, Oale Schoeltenboer enz. Alle zonder de. Waarom dan wel de Roesboer, maar niet de Stobbenboer? Was er daarvoor misschien een bepaalde reden of lagen de varianten zo beter in het gehoor? Dat veruit de meeste erfnamen betrekking hebben op boerderijen is dus logisch. Het is echter geen wet van Meden en Perzen. Want ook in namen als Teunke-van-de-Möl en Jan-van’t-Los Hoes wordt de woonstede genoemd i.p.v. de officiële naam.

In oude Ootmarsumse doop- en huwelijksregisters4 kom je ze soms nog tegen, verdwenen families van wie de naam echter voortleeft in oude hoeven. Zoals van ‘Geese Gervelinc van Agele’ die op 31 maart 1662 in het huwelijk treedt met Hindrick ten Have van L. Agele, Lutken Aogel dus. In het jaar daarop doen dat ook Jan Achterpostele, Jan Rötgers en Arent ten Westenagle. Het klinkt bekend.

In dezelfde doopboeken (protestantse zowel als katholieke) uit die tijd staan verder, tussen vele andere vertrouwde Ootmarsumse namen, de kinderen van Hermen Spelman en Johan in olde Holtwijck geboekt (1681), evenals Aeltjen, de dochter van Jan in de Schoppe (waarin we misschien een voorvader van Schöppen Jantje mogen herkennen), Berentjen Rijckerman uit Brecklenkamp (Zandscholten of Riekeman dus) en het naamloos kind van Lambert Rotger. En was Joann Abrahaminck (later ook Braminck), die in datzelfde jaar werd gedoopt, misschien een telg uit het geslacht dat nu nog met Broam wordt aangeduid? Verder moeten de namen van Hindrick Grijpinck en van Jan ten Graell toch ook iets van doen hebben met de erven Oale Griep en Oale Groal of Groalsboer. En achter namen als ’t Rools, De Kleumper, Koard, Kôks, de Hut, en Stoaverman(-’s Dieks) vermoedt men ook al gauw vroegere bewoners of eigenaren. De Preijer (Oortman) heeft zijn erfnaam meegebracht van elders, van Halle vlak over de grens (of, zo u wilt, van het Westelijk Front in de Eerste Wereldoorlog) waar hij als Duits soldaat, de massale bloedbaden ontvluchtte en, volgens de overlevering en ook volgens zijn familie, met het laatste paard en de laatste kar er spoorslags vandoor ging tot hij in Ootmarsum kwam. Niet ver van huis dus, maar wel net buiten bereik van de Duitse krijgsraad!).

Als gezegd blijft ook soms de naam van een vroegere familie in gebruik, ook als er geen sprake meer is van een erf, boerderij of woonstede. Een mooi voorbeeld van zo’n overgeleverde naam is Buys. In het reeds genoemde kasboek van Georg Willem Amelung lezen we hoe de voerlieden Heuverman, Toeneman, Kamphuis en Steverman op 13 augustus 1786 bakstenen hebben gehaald uit Rijssen. Een vijfde lid van deze colonne was een zekere Buys, hij bracht 100 (honderd!) stenen mee. Paard, wagen, laden & lossen en een dag onderweg voor een vorstelijke vergoeding van 1 gulden. Menigeen uit de generatie voor mij vertelde van ‘ ’t oale Buys’, een bekende voerman uit het eerste deel van de vorige eeuw. Hij moet wel een nazaat zijn geweest van die Buys uit 1786. Ook zijn stiefzoon werd zo genoemd (BuysJenske), en zijn kleinzoon Antoon Raatgerink heette Toon van BuysJenske.

En zo is er nog allerlei merkwaardigs op te merken over de Ootmarsumse bijnamen. Wanneer of waarom eindigen zoveel namen van boerderijbewoners speciaal op –man? En wanneer moest het –boer zijn? En hoe komt het toch dat, veel meer dan in het Nederlands, zoveel namen zijn omgekeerd. In het Nederlands noemen we eerst de voornaam, daarna de achternaam. Wat die twee met elkaar te maken hebben wordt er dan niet bij verteld. Dat is een kwestie van afspraak, kun je zeggen. Je wordt verondersteld dat te weten. Maar bij onze, Twentse, bijnamen ligt dat wat anders. De achternaam gaat voorop en krijgt een –s. Waarmee wordt uitgedrukt dat er een soort bezitsverhouding of verwantschap is met de voornaam die volgt. Iets in de trant van: Krop zienen Dieks. En zo kenden we ook Koap’s Jantje, Rools Gait, Lépold’s Jens (Eilers op de Mors), Hofstee’s Naatje, Krop’s Dieks en nog zoveel anderen.

Een inventaris maken van de Ootmarsumse bijnamen is nog wel te doen, we zijn er zelfs een heel eind mee gekomen. Maar een volledige verklaring geven voor alle facetten daarvan is een ander verhaal. We laten het graag aan specialisten over. De bijnamen leven nog voort in de herinnering van een slinkende groep Ootmarsummers. Wij wilden al die bijnamen nog éénmaal bij elkaar zoeken. Vele ervan zullen binnenkort verdwenen zijn, want de mensen bij wie ze hoorden zijn al lang niet meer onder ons.

Gerhard Broekhuis

Met dank aan: Guus Brons, Wim Polman, Jan Schulten

  1. G.A.B. Nijhuis, Georg Willem Amelung, commies van de convooien en licenten, te Ootmarsum. Vereniging Heemkunde Ootmarsum, Ootmarsum, 2006.
  2. Hanna Keupink, in Ootmarsum Wassche Hanna genoemd, had haar huisje op de hoek van het Kerkplein en het Pläske. Ze was een zachtmoedige, vriendelijke vrouw, die wat gebogen liep. Ze had een begijntje kunnen zijn. Dagelijks hield ze de Ned. Hervormde School aan de Oostwal schoon. En verder verzamelde ze wasgoed, dat ze vervolgens in een kussensloop naar de wasserij Het Springendal bracht, te voet.
  3. Verwijzing naar de functie die de bewoner van het boerenerf had op het Huys Ootmarsum
    Smid Bernard Jansen
  4. www.DEN-BRABER.nl-digiproject-statuspagina.url
De naam zegt genoeg