Pasen: Vlöggeln in Ootmarsum

Pasen: Vlöggeln in Ootmarsum

Als ik aan Ootmarsum denk, dan zie ik ze weer gaan.
De mannen met hoeden op en regenjassen aan,
de Poaskearls van Ootmarsum, acht in getal.
Twee oude gaan er jaarlijks af, twee nieuwe weer erbij.
Gekozen zijn om mee te doen, een voorrecht, zeggen zij.

Ze houden een traditie hoog, van vlöggeln door de stad.
Ze zingen daarbij hun Paasgezang,
twee liederen, als altijd, al eeuwenlang.

De stad loopt vol, de Markt één en al leven.
‘t Is Pasen: ze treffen elkaar weer, vrienden, familie, nichten, neven.
Verwachtingsvolle spanning in rijen mensen die er staan.

Hoor, daar komen ze aan,
flarden gezang worden opgevangen.
Het rumoer verstomt, door het moment bevangen.

Acht jonge mannen, zij aan zij, geven elkaar de hand.
In eenheid vormen zij een rij, gaan onverstoorbaar voort.
Het Alleluja zingend als triomfgezang, zoals bij de Paastraditie hoort.

De Poaskearls maken indruk door hun ernst en saamhorigheid.
Het gonst en velen vlöggeln mee, een lint van mensen volgt hun pad.
Jong en oud sluit zich aan, al slingerend door de stad.

Ze vlöggeln om de stiepels heen, de Poaskearls voorop.
Tot slot eindigend op de Markt, daar rolt het lint zich op.
De voorzanger zet de liederen in, het hele plein zingt mee.
De sfeer is groots, ingetogenheid volop:
samen zingend de paasliederen, op het eind de kinderen in top.

Dan haast ieder zich naar huis, de paaseieren staan klaar.
De Poaskearls wacht ’s avonds nog een taak:
het Paasvuur ontsteken, opnieuw weer bij elkaar!

Stadsdichter Marian, 22 maart 2018.

Pasen: Vlöggeln in Ootmarsum