De Commanderie Ootmarsum

De Commanderie
De voormalige Commanderie der Duitse Orde, rond 1670 geschilderd door Meindert Hobbema (Origineel in de London National Galery).

Het is moeilijk voor te stellen dat eeuwen geleden achter het Ootmarsumse Openluchtmuseum een indrukwekkend bouwwerk stond met een grote inrijpoort: de Commanderie van Ootmarsum. De vestiging van deze Commanderie heeft een belangrijke impuls gegeven aan de ontwikkeling van de stad.

De Duitse Orde en Commanderie
Priesterbroeder
Aquarel van een Priesterbroeder van de Duitse orde uit 1606 (Archief van de Ridderlijke Duitsche Orde te Utrecht).

In de tijd van de kruistochten probeerden christelijke legers uit West-Europa Palestina onder de macht van het christendom te brengen. Om de christelijke slachtoffers van deze strijd te helpen, werd de Duitse Orde opgericht. Deze half-geestelijke, half-militaire orde stichtte na de kruistochten in heel Europa kloosters, Commanderieën genoemd. De eerste vestiging in Nederland stond in Utrecht; hij wordt ook wel balije genoemd en bestaat nog. Van hieruit werden meerdere huizen in ons land gesticht.

De Commanderie Ootmarsum
Een commandeur
Een Commandeur der Duitse Orde. Geschilderd door Annemarie Eweg-Drughorn (Vereniging Heemkunde Ootmarsum).

In de tweede helft van de 13e eeuw gaven enige vooraanstaande lieden uit Oldenzaal enkele aan hen beleende bezittingen terug aan Hendrik van Vianden, bisschop van Utrecht, met als doel deze te gebruiken voor de stichting van een nieuwe Commanderie. De gevers werden zelf ook in de orde opgenomen. De precieze reden om bij Ootmarsum een Commanderij te vestigen is niet duidelijk. Uiteraard was het gemakkelijker de bezittingen die Utrecht in deze streek bezat vanuit Twente te besturen. Hendrik van Vianden had grote invloed op het besluit: het paste in de opzet om het aantal Commanderieën uit te breiden. Na 1262 werd met de bouw begonnen. Als eerste commandeur trad waarschijnlijk Eckbertus van Benthem op. De laatste was Johann Dietrich van Heiden. Alle namen van de commandeurs keren terug in straatnamen van de wijk de Wildehof.

Van GhernaerstraatVan BodelswingstraatVan Opburenstraat

De Commanderie als gebouw

Zoals bij het merendeel van de bouwwerken in de Middeleeuwen, werd ook de Commanderie als vakwerk gebouwd. Het was een houten torenachtig gebouw, dat op palen rustte, omdat de grond zo drassig was. Een schilderij van Hobbema van de Commanderie laat dit goed zien. Het hoofdgebouw bestond uit de slaap- en dagvertrekken, de keuken en ook een gebedsruimte. Rond dit gebouw waren enkele schuren en paardenstallen opgetrokken, omgeven door een gracht. In latere jaren werd het geheel steeds verder uitgebouwd. Naast het houten gebouw kwam een schuur en een grote kapel van Bentheimer zandsteen. De inwijding van het altaar van deze kapel vond, met veel pracht en praal omgeven, plaats in 1494 door wijbisschop Albertus Engel. De stichtingssteen van de inmiddels verdwenen kapel is bewaard gebleven. Langs de beek werden verder twee waterkorenmolens gebouwd. De achterste heette de St. Johannesmolen. Van de voorste molen rest nog het huis van de molenaar, het Molenhuisje.

Het dagelijks leven
Herman van Keppel
Commandeur Herman van Keppel. Genoemd als commandeur van Ootmarsum op 27 september 1413. Van 1421 tot 1422 was hij landcommandeur van de balije Westfalen en van 1422 tot 1442 landcommandeur van de Balije van Utrecht. Schilderij uit de reeks portretten van de Landcommandeurs van de Balije Utrecht in het Duitse Huis te Utrecht.

Als klooster van de Duitse Orde werd het huis bewoond door een twaalftal ridderbroeders, meest leden van adellijke families uit Twente en het naburige Westfalen. Ze hadden een gelofte afgelegd en dienden zich aan de kloosterregels te houden. Enkele broeders waren tot priester gewijd. Anderen hielden zich bezig met militaire zaken, onder meer met de strijd van de Duitse Orde in Noordoost-Europa. Het officiële kleed van de orde bestond uit een witte mantel met het zwarte kruis; de ridders droegen een zwaard en schild. Aan het hoofd stond een commandeur. De Commanderie had in de loop der jaren veel bezittingen, zoals boerderijen, verkregen door schenking of aankoop. Het grootste deel van de opbrengsten hiervan moest worden afgestaan aan de balije van Utrecht; na een herschikking in 1417 aan de balije van Munster.

Ondergang van de Ootmarsumse Commanderie

Door de Tachtigjarige Oorlog en de Reformatie kwam het voortbestaan van het Duitse Huis ernstig in gevaar. Men dacht een uitweg gevonden te hebben door ridderbroeder Johann Dietrich van Heiden, die de protestantse godsdienst beleed, in 1628 tot commandeur te benoemen. Deze trad na zijn huwelijk echter uit de Duitse Orde en kwam omstreeks 1635 door een ruil van eigendommen in het bezit van de Commanderie. Hierna werd letterlijk en figuurlijk het hek gesloten van de Commanderie als vestiging van de Duitse Orde in Ootmarsum. Er begon een heel andere periode in het bestaan van het bouwwerk.

Bronnen
  • Eweg, H.J. en B. Morshuis, Ridderbroeders, horigen en heren. Geschiedenis van de Commanderie van Ootmarsum (Ootmarsum 1991).
  • Mol, J.A., “Nederlandse ridderbroeders van de Duitse Orde in Lijfland”, in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 101 (1996) 1-29.
  • Snuif, C.J., Verzamelde bijdragen tot de geschiedenis van Twente (Amsterdam 1930).
  • Tumler, M., Der Deutschen Orden (Wenen 1954).
  • Vey Mestdagh, J.H. de, De Utrechtse Balije der Duitse Orde (Utrecht 1988).
De Commanderie Ootmarsum