Het drama van Hezingen

Familie MincoHet is zondag en maandag 7 oktober 2019 precies 75 jaar geleden dat zich een vreselijk drama voltrok in de directe omgeving van Ootmarsum. Nadat ze op hun onderduikadres in Hezingen door NSB’ers waren ontdekt, werd de joodse familie Menco aan de voet van de Kuiperberg door Duitsers doodgeschoten. De vader en zijn drie zoons; moeder en dochter werden elders vermoord. Het drama leeft nog altijd in Ootmarsum.

Als je er met de auto langs rijdt zie je hem niet of nauwelijks. Maar vanaf het fietspad langs de Ootmarsumsestraat onder aan de Kuiperberg bij Ootmarsum valt hij meteen op: een half doorgezaagde zwerfkei met de geslepen kant schuin naar voren gericht. Met daarop een Davidsster en de namen van Maurits Minco en zijn drie zoons Simon Minco, Sallo Minco en Nico Minco. Plus de datum van de onthulling op 7 mei 1995.

In koelen bloede

Menco-monumentDe steen herinnert aan een vreselijk oorlogsdrama dat hier op 7 oktober 1944 plaats vond: maandag op de kop af 75 jaar geleden. Op deze plek langs de doorgaande weg van Ootmarsum naar Reutum en verder naar Almelo, op een steenworp afstand van erve Tiethof van Hendrik Kroeze, werden in de vroege ochtend van de 7e oktober vier mensen in koelen bloede doodgeschoten. Door leden van de Duitse Sicherheitspolizei. De slachtoffers waren vier joodse onderduikers die een dag eerder waren ontdekt en gearresteerd door een groep landwachters onder leiding van de toen net 20-jarige NSB’er Dirk-Jan Kip uit Ootmarsum.

Vermoord

De onderduikers waren vader Maurits Menco en zijn zoons Simon, Sallo en Nico. Zijn vrouw en hun moeder Sophia Nathans en zijn enige dochter en hun enige zus Stella Minco bevonden zich niet in hun gezelschap. Zij waren bij dezelfde overval ook ontdekt en gearresteerd maar zijn werden op dezelfde ochtend naar elders afgevoerd. Waar naartoe is nooit duidelijk geworden. Maar over hun lot bestaat geen onduidelijkheid; moeder en dochter werden vrijwel zeker ook ergens vermoord; vermoedelijk op vliegveld Twente en anders in een Duits vernietigingskamp bij Hamburg.

De twee oudste kinderen uit het joodse gezin uit Almelo – Herman en Betty – ontsprongen de dans; zij zaten ergens anders ondergedoken. Als zij na de bevrijding in april 1945 op zoek gaan naar hun ouders, hun zus en hun drie broers komen zij achter de afschuwelijke waarheid. Zij hebben als enigen van het acht leden tellende gezin de oorlog overleefd.

Oproep werkkamp

En dat kon Maurits Menco niet bevroeden toen hij in augustus 1942 besloot om met zijn vrouw en hun zes kinderen onder te gaan duiken. Op deze manier onttrokken hij en zijn oudste zoon Herman zich aan de oproep van de Duitsers zich te melden voor deportatie naar een werkkamp. (Groot)Vader Manus Menco (80 jaar) werd overgebracht naar het ziekenhuis in Almelo in de hoop dat de Duitsers een oude man zouden sparen, maar deze hoop bleek ijdel. Manus Menco werd daar later opgepakt en in Sobibor vergast.

Maurits (geboren 1895 in Ootmarsum in het Cremershuis), Sophia (1891 in Almelo) en hun twee tweelingen Simon en Salomon(1926) en Stella en Nico (1927) zoeken en vinden een onderduikadres in de boerderij van de familie Evers (Paus) in Hezingen bij Vasse aan de rand van het Springendal en op een steenworp afstand van de Duitse grens. Voor Herman Minco (1921) en Betty Minco (1924) is er geen plaats; maar zij krijgen elders onderdak. De boerderij van Gerard Evers lijkt qua ligging op het platteland een veilige plek voor de familie Menco. Er is eten en drinken genoeg. De boerderij ontpopt zich in de oorlog als een veilige haven voor mensen in nood. Er zijn tijden dat zich wel twintig onderduikers tegelijk in de boerderij bevinden. Van geallieerde vliegeniers en verzetslieden tot joden en Nederlanders die aan de Arbeitseinsatz willen ontsnappen. Bovendien is ’n Paus de (uitvals)basis voor de verzetsgroep Vasse. Diverse leden van de familie Evers maken daar deel van uit.

Gierkelder

De Menco’s krijgen bij Evers een grote ruimte toegewezen op de zolder precies boven de woonkamer. Die wordt nauwelijks gebruikt. Als er gevaar dreigt, verhuizen zij en de andere onderduikers allemaal naar een andere schuilplaats: een lege gierkelder die te bereiken is via een luik in het varkenshok. Er zijn maar weinig mensen op de hoogte van de verblijfplaats van de familie Menco. Zelfs zoon Herman keert onverrichterzake terug van een bezoek aan boerderij Evers aan de Pausweg nadat hij te hioren heeft gekregen dat daar geen familie Menco is en ook nooit is geweest. En dat allemaal vanwege de veiligheid en het principe: wat niet weet wat niet deert.

Verborgen voor de nazi’s en en NSB’ers komen de Menco’s in Hezingen ruim twee oorlogsjaren in betrekkelijke rust en zonder noemenswaardige problemen door. Wanneer de geallieerden na de invasie in juni 1944 in Frankrijk steeds verder oprukken ook in Nederland wordt de verzetsgroep Vasse ook actiever. Verzetsgroepen in Twente worden steeds meer bewapend. Wapens en munitie worden met vliegtuigen vanuit Engeland onder meer in het Springendal gedropt. Het door bomen omzoomde heideveld bij het landhuis van de familie Vermeer blijkt een ideale locatie voor wapendroppings. In de maanden augustus en september van 1944 droppen vliegtuigen in het grootste geheim twee keer tientallen containers – volgestopt met wapens en munitie – aan parachutes in het Springendal. Het sein voor een dropping gaat op groen als via de radio uit Engeland het bericht komt: “Ga zo door m’n jongen”.

Landwachten

De derde dropping is gepland in de nacht van 6 op 7 oktober. Maar de piloot van het vliegtuig wacht vergeefs op de lichtsignalen en keert terug naar de basis. Niet wetend wat er eerder op die zesde oktober is gebeurd. Daar arriveert ’s ochtends om acht uur een groep bewapende landwachten onder leiding van de gevreesde Dirk-Jan Kip uit Ootmarsum. Zoon van de hotelier Arnold Hendrik Kip van Tubantia aan de Marktstraat. Een huis verderop staat het Cremershuis waar de familie Menco woonde voor ze naar Almelo verhuisde. Vader en zoon zijn beiden fanatiek lid van de NSB. SS-officieren zijn graag geziene gasten in hun hotel aan de Marktstraat waar vaak een grote SS-vlag uit het raam steekt.

De boerderij van Evers wordt omsingeld door bewapende landwachten en via de paardenstal verschaffen zij zich toegang. Maar iedereen zit in de gierkelder en onvindbaar voor Kip en zijn trawanten. De overval lijkt met een sisser af te lopen tot een landwachter een beweging waarneemt achter een kelderraampje. De onderduikers zijn ontdekt. Behalve de familie Menco zijn dat twee zoons – Bernard Evers en Gerard Evers – van boer Evers en de verzetslieden Geert Schoonman alias Rooie Geert en Piet Troelstra. Zij proberen te vluchten maar worden daarbij neergeschoten en gearresteerd. Jan Evers en Troelstra weten later te ontvluchten. Bernard Evers en Schoonman hebben dat geluk niet en worden rond 15 oktober doodgeschoten op vliegveld Twente.

Kazerne

NSB’er Kip is zeer tevreden met het onverwachte resultaat. Trots op zijn actie neemt hij zijn oude buren, vader en moeder Menco en hun vier kinderen mee naar Ootmarsum. Ze worden overgebracht naar de toenmalige marechaussee-kazerne aan de Almelosestraat, nu het Wapen van Ootmarsum. Daar brengen de Menco’s ook de nacht door. Maurits Menco en zijn drie zoons worden de volgende ochtend al heel vroeg opgehaald door de Sicherheitspolizei voor transport naar Almelo. Ze zullen daar nooit komen want amper buiten Ootmarsum worden ze onderaan de Kuiperberg iets voorbij boerderij Kroeze in de berm zonder pardon doodgeschoten. Enkel en alleen vanwege zijn joodse afkomst.

Boer Hendrik Kroeze hoort vanuit de stal de schoten. Hij gaat niet direct kijken. Als hij dat even later wel doet, weet hij niet wat hij ziet; vier ontzielde lichamen. Om de plaats van de executie te markeren kerft hij in vier bomen een kruis. Een van de bomen met het vergroeide kruis staat er nog steeds. Zoon Jan Kroeze weet hem tot op de dag van vandaag aan te wijzen. Hij gaat nog geregeld naar deze plek. Nog dezelfde avond worden de stoffelijke overschotten begraven op de Hervormde begraafplaats aan de Molenstraat. Na de oorlog worden de resten opgegraven en op de Joodse begraafplaats in Almelo opnieuw begraven. Moeder Sophia en dochter Stella worden richting Oldenzaal getransporteerd. Sindsdien ontbreekt elk spoor.

Gearresteerd

NSB’er Dirk-Jan Kip wordt begin mei 1945 gearresteerd als hij samen met zijn vader tussen talloze arbeidsslaven anoniem en ongezien de grens bij Denekamp probeert over te komen. Maar een grenswachter herkent vader en zoon Kip. Ze worden gearresteerd en overgebracht naar de marechausseekazerne in Ootmarsum. Dirk-Jan Kip krijgt een bord omgehangen met daarop de tekst: ‘Ik ben een moordenaar’. Hij wordt van daaruit naar een andere gevangenis overgebracht. Arnold Kip keert terug naar zijn hotel Tubantia in Ootmarsum maar zijn bedrijf wordt door iedereen gemeden. Er zit Kip niets anders op dan het hotel te verhuren. In 1948 overlijdt hij. Onder andere de familie Fokkinga exploiteert het hotel dat in 1969 door de familie Kip wordt verkocht aan de Rabobank.

Dirk-Jan Kip komt in januari voor de rechter. Hij wordt ook gedagvaard voor een lafhartige moord op een vluchtende onderduiker bij Oldenzaal. Het Bijzonder Gerechtshof in Arnhem dat voor deze bijzondere gelegenheid zitting houdt in Almelo veroordeelt Kip tot 15 jaar gevangenisstraf. Maar al na acht jaar komt hij vrij en vestigt hij zich – als advocaat – in het westen van het Land. Later verhuist hij naar België om op latere leeftijd weer te verhuizen naar Nederland, Blaricum.

Lijfwacht

Ondanks zijn verledenkomt Dirk-Jan Kip nog geregeld terug in Ootmarsum. Helemaal gerust is hij niet want hij wordt dan altijd begeleid door een lijfwacht. Hij komt bij zijn bejaarde moeder maar ook als er leden van de Hervormde Kerk in Ootmarsum van zijn leeftijd worden begraven. Dat niemand van de hervormde gemeenschap dan bij hem wil zitten in de kerk en later in Ons Gebouw deert hem niet in het minst. Dirk-Jan (Dick) Kip krijgt wat hij anderen in de oorlog ontnam: een lang leven. Hij overlijdt op 10 november 2016, op 92-jarige leeftijd, in Blaricum waar hij ook wordt begraven.

De moord op Maurits Menco en zijn drie zoons is in Ootmarsum nooit vergeten. En dat zal ook mede dankzij de herinneringssteen in de berm tussen de Almelosestraat en het fietspad iets voorbij boerderij Kroeze niet gebeuren. De steen is er op 7 mei 1995 geplaatst, bij de viering van 50 jaar bevrijding. De steen is er gekomen op initiatief van de Ben Morshuis Stichting in samenwerking met de Heemkunde Reutum-Haarle. Het onderhoud van de herinneringssteen is verzekerd omdat de steen door de leerlingen van de Mariaschool in Reutum is geadopteerd. Geregeld zijn er herinneringsmomenten bij de steen. Ook worden er excursies georganiseerd waarbij de schooljeugd wordt verteld wat daar is gebeurd.

Herinneringssteen

Voor de twee overlevenden van de familie Menco wordt het leven na de oorlog nooit meer zoals het was. Herman verhuist naar Middelburg en overlijdt daar in 1991. Hij wordt bijgezet in het familiegraf in Almelo. Betty emigreert in 1968 naar Israël. Zij is op 7 mei 1995 bij de onthulling van de herinneringssteen aan de Almelosestraat. Daar bij de steen en bij de bomen met de twee kruizen wordt zij voor even weer herenigd met haar vader Maurits en haar drie broers Simon, Salomon en Nico. Ook nadien bezoekt zij de steen nog enkele keren. Elke keer met haar eigen gedachten. Zij overlijdt als laatste van het gezin in 2013, op 89-jarige leeftijd. Waarmee het gezin Menco eindelijk weer compleet is.

(Foto-)Bronnen: Twentsche Courant Tubantia, Ben Morshuis Stichting, Historische Kring Vasse-Mander, Heemkunde Ootmarsum, Alphons Weierink.

Het drama van Hezingen